zaterdag 28 maart 2009

Johannes Regnerus Hachtingius, professor, zoon van Regnerus

Geboren in Leeuwarden 16 februari 1594, overleden Franeker 22 september 1630.
Johannes studeerde in Franeker en Groningen en bezocht hogescholen in Heidelberg, Bazel, Genève en Frankrijk. Johannes kreeg les van onder andere hoogleraar Grieks en geschiedenis Ubbo Emmius, Franciscus Gomarus (theoloog – zie ook het stuk over Regnerus) en Nicolaus Mulerius, arts-astronoom. Zelf gaf Johannes tijdens zijn studietijd privélessen theologie en Hebreeuws.

Als hij na zijn studiereis weer thuis komt in Friesland blijkt hij -zonder zijn medeweten- benoemd te zijn tot conrector van de Latijnse School in Leeuwarden.
Op 21 maart 1622 komt voor hem aan de Universiteit van Franeker de leerstoel Logica vrij. Hiermee verdient hij f 600,-- per jaar. Voor die tijd een behoorlijk bedrag, maar niet maximaal.
Johannes schrijft veel. Niet alleen disputen en oraties, maar ook gelegenheidsverzen in het Hebreeuws en Latijn komen uit zijn pen. Aan de hand van de Bijbel stelt hij een woordenboek samen van Hebreeuwse en Griekse woorden. Ook correspondeert hij veel met andere geleerden over allerlei onderwerpen.



Johannes trouwt drie keer. Scheepsrecht dus, net als zijn vader. Zijn eerste huwelijk is in 1621 met Geertje Simons van der Hall. Geertje overlijdt en Johannes hertrouwt in 1624 met Anke Conincx. Beide huwelijken blijven kinderloos. Op 12 augustus 1626 trouwt Johannes met Susanna Seleijns uit Amsterdam.

In 1629 komt Johannes ernstig ziek thuis van een reis naar Amsterdam. Niet zijn geestelijke maar wel zijn lichamelijke conditie neemt af en op 22 september 1630 overlijdt hij. Zijn vrouw Susanna is dan net zwanger van hun enige zoon Regnerus.

Regnerus Johanneszoon studeert theologie en wordt in 1654 dominee in Dronrijp en in 1657 in Leeuwarden.
In 1658 trouwt hij met Stijntje Tegnejus, dochter van zijn oom Tobias en tante Kinscke.
In het jaar waarin Regnerus lid van de Synode in Heerenveen wordt overlijdt hij op 20oktober 1665, ca. 35 jaar oud.
De oudste zoons van Regnerus en Stijntje zullen Regnerus en Tobias hebben geheten. In 1661 wordt zoon Fredericus geboren, die van 1684 tot 1692 dominee in Blija is en van 1692 tot 1716 in Stavoren.

Zoon Tobias Regnerus kan de vader geweest zijn van Regnerus Tobias, dominee van 1692 tot zijn dood in 1707 in Paessens. Deze Regnerus was nu en dan dronken. Op 4 juli 1701 is hem eenmalig officieel de toegang tot het avondmaal ontzegd vanwege verregaande dronkenschap.
Regnerus Tobias kreeg drie kinderen, Tobias, Kinscke en Dooytzen (Doede. Zij wonen op zeker moment in Stavoren.
Op 1 augustus komt Fredericus Hachtingius (~7/4-1661), broer van Regnerus Tobias, naar Stavoren, waar hij tot zijn overlijden in 1716 dominee is.
Mogelijk zijn de kinderen van Regnerus Tobias na het overlijden van hun vader in 1707bij hun oud-oom Fredericus Regnerus in Stavoren komen wonen?

Kinscke trouwt in 6 september 1733 in Stavoren met timmerman Meyne Greelts. Hun kinderen noemden zich Meinema of Mijninga.
Dooytzen trouwt met Pietertje de Boer uit Enkhuizen en krijgt vier kinderen: Regnerus, twee keer een Neeltje, en Sijmon. Over eventuele nakomelingen van Regnerus, Neeltje of Sijmon is niets bekend.

Tobias gaat naar Medemblik waar hij met Maartje Feijtes trouwt, stamvader wordt van Noordhollandse Hagtingiussen en voor-(schoon)vader van enkele Fransens en Boendermakers.

Regnerus'dochter Stijntje en Tobias Tegnejus

Stijntje, dochter van Regnerus en Anna van Gellingen, trouwt in 1618 met Tobias Tegnejus uit Warns. Of Stijntje en Tobias kinderen krijgen is niet bekend. Na het overlijden van Stijntje hertrouwt Tobias op 2 oktober 1633 met Kinscke (Kinskien) Hermannus Colde, zus van Arnoldus' vrouw Lucia.
Op 9 september 1636 wordt Regnerus Colde gedoopt.
Er is ook een dochter die met haar neef Regnerus, de zoon van Stijntjes broer Johannes trouwt. Hierover straks bij Johannes meer.

Tobias Tegnejus wordt op 30 april 1611 onder de naam Tobias Franciscii op de Franeker hogeschool ingeschreven op vertoon van goede getuigschriften met betrekking tot zowel zijn leer als wandel, gegeven door zijn school en de kerk te Bremen. Op 13 juni 1617 wordt hij beroepen naar Warns en in oktober 1618 gaat hij naar Sneek.

In 1628 krijgt hij een beroep naar Den Haag.
Dat was een hele toestand (om met Piet Hagtingius -Broekerhaven 1910-Amsterdam 1992- te spreken) : Tobias was namelijk een alumnus van Leeuwarden en men liet hem niet zomaar gaan: Leeuwarden had zijn opleiding betaald en wilde hem niet afstaan; zonde van het in Tobias geïnvesteerde geld...! Het vertrek van Tobias werd tot in de Staten uitgevochten: was het een kerkelijke kwestie of was het nu een bestuurlijke kwestie geworden?
Uiteindelijk kon hij in 1642 met zijn gezin naar de Hofstad vertrekken, waar hij op 11 december 1663 emeritus werd. Zijn opvolger was Simon Simonides, geboren 1629 in De Rijp (“'t Roipie”, Noord-Holland)

Op 15 januari 1651 krijgt Tobias nog een belangrijke taak toebedeeld: de doop van stadhouder Willem III.
Eind oktober 1650 komt stadhouder Willem II ziek thuis van een reis naar Gelderland. Enkele dagen na zijn thuiskomst overlijdt hij. Zijn zoon en opvolger -ook een Willem- was een paar dagen zijn vaders dood geboren. Verdriet en vreugde in Den Haag binnen een paar dagen.
Op 15 januari 1651 was de Haagse Grote Kerk stampvol en ook buiten stonden veel belangstellenden. De rede die Tobias bij de doop uitsprak is nog wel aanwezig in Nederlandse bibliotheken, maar wordt niet uitgeleend. Is wel ter inzage.
Tobias gaf een uitleg van Marcus 10 : 14, kort gezegd: laat de kinderkens tot mij komen.

Op 10 november 1658 wordt Tobias samen met andere Haagse predikanten voor een maaltijd uitgenodigd ten huize van Jacob Cats.

Jacob Cats dichtte:

Hier dient nu bij gevoeght wat mij is wedervaren,
totdat mijn tijt begon de twee en tachtigh jaren:
maer eer het jaer verliep, soo had ick yet bedocht
dat even metter daet by my is uytgewrocht.
De herders van de kerck, hier in den Haegh geseten,
die badt ick altermael by my te komen eten;
sy deden myn versoeck, en quamen al gelijck,
en sagen met vermaeck dit sandigh koninckrijck.

Elke predikant kreeg van Cats een mooi geslepen drinkglas en een zilveren zoutvat. De klerk die hen deze kleinoden overhandigde las het volgende gedicht voor:

Het eerste deel van dit present
past juyst op hem die u het sent;
dies is 't geschenk gelijck als hij,
want 't glas is noyt van breken vrij.
Maar wat belanght het tweede deel,
dat acht ick als een dier juweel;
want 't is een woonhuys van het sout,
dat alle dingh in wesen houdt.

(Kerkelijk 's Gravenhage in vroeger eeuw / E.J.W. Posthumus Meyes. - 1918)

Tobias overlijdt 13 april 1668 in Den Haag.

Regnerus' zoon Arnoldus

Deze zoon van Regnerus en Anna van Gellingen wordt in navolging van zijn vader ook dominee. Hij is predikant in Garijp , Suameer, Eernewoude en Tzummarum / Firdgum.
Op 2 maart 1623 trouwt hij met de weduwe van Melis Jochums, Lucia Colde.
Lucia is een dochter van Regnerus' Leeuwarder collega-dominee Hermanus Colde en diens tweede vrouw Anna Dirks.
De eerste vrouw van Hermanus Colde was Klaaske Ruardi Feites, dochter van Feico Ruardi.

Arnoldus en Lucia krijgen een aantal kinderen, waaronder zoon Harmanus, die predikant wordt in Tzummarum en in 1678 in Dokkum. In 1670 trouwt Harmanus met Vroukien Warnerts (een dochter van Johannes Wernerus / Warneri?) - met wie hij in 1674 zoon Arnoldus krijgt.

Dochter Stijntje trouwt in 1652 met Tarquinus (Tjerk) Munckhuys. Na het overlijden van Tjerk hertrouwt Stijntje met Nicolaus Hachtingius, arts te Dokkum. Van wie Nicolaus een zoon is weet ik (nog) niet.

Antje trouwt in 1630 met Phocaeus Joachimus (in gewoon Nederlands: Fokke Jochems) Stellingwerff, dominee in Workum en Bolsward. Na het overlijden van Fokke hertrouwt Antje met Pierius Vermees. Pierius is een zoon van Cornelius Vermees, secretaris van Westdongeradeel. Zelf is hij advocaat.
Deze tak is een familie met een wapen. Dat van Antje is een (halve) adelaar in goud, rechtsboven een haas omringd door 3 klavers en rechtsonder 4 golvende lijnen. Ook van haar zoon Joachimus (1657-1703) Stellingwerff, dominee in Reisum, Ginnum en Lichtaard, is een wapen bekend.
Antjes dochter Trijntje Vermees trouwt met Pike Nijenhuis, burgemeester van Dokkum.

Er is ook een dochter Catharina. In 1670 wordt een boedelscheiding gemaakt tussen de erfgenamen van “dominee Arnoldus Hachtingius”, Antie, Harmannus en Catharina.

Arnoldus overlijdt in 1657 in Dokkum.

Van monnik tot dominee in de 16e eeuw

Waarom hier een stukje over Regnerus Hagtingius? Wel, een van zijn nazaten, Tobias, trouwde in de 19e eeuw in Medemblik met een Boendermaker.
Toen ik trouwde, bleek mijn echtgenoot een oom met de achternaam Hagtingius te hebben. Daarom ben ik op zoek gegaan naar deze familie.


Van Regnerus tot Tobias


Rond 1700 wordt Tobias Regnerus, stamvader van Noordhollandse Hagtingiussen, in het noordfriese Paessens geboren.
Zijn vader was Regnerus Tobias Hachtingius, van 1692 tot zijn overlijden in 1607 dominee in dit dorp. De naam van Tobias' moeder is niet bekend.
Tobias en Regnerus waren lid van een familie die veel dominees heeft voortgebracht.

De familiestamboom begint met de Cisterciënzer monnik Regnerus...

Stamvader Regnerus
Tot 1567 is Reiner Johannesz Hachting monnik in het Cisterciënzer klooster Klaarkamp*) in Rinsumageest, een plaats vlak bij Dokkum. In die tijd was een opleiding tot priester een vrij kostbare zaak die meestal alleen voor de rijkeren was weggelegd.
Reiners vervult in het klooster de functie van vicaris.

Klooster Klaarkamp

In de late Middeleeuwen is een vicaris een priester die een vicariaat beheert. Een vicariaat -vicarie- is een stichting die is ingesteld om een priester (vicaris) voldoende inkomen te verschaffen om hem op geregelde tijden missen voor het zielenheil van de stichter (fundator) en zijn familieleden op te dragen.
Meestal behoorde de vicaris tot de familie van de stichter. Bij de stichting deed de fundator afstand van zijn eigendomsrechten op bepaalde goederen of renten, die dan vervolgens werden opgedragen aan de patroonheilige van het altaar waaraan de vicaris zijn missen opdroeg. (Genealogie 8(2002), p. 8 – 11).
Een vicaris kan ook een vervanger zijn van de pastoor; hij is dan een “onderpastoor” , met een eigen pastorie en een eigen stuk land . De inkomsten van dit land vormen het inkomen van in dit geval de vicaris. (De historie gaat door het eigen dorp / A. Algra. - 1960).

Op 31 oktober 1517 bevestigt Maarten Luther -de eerste 16e-eeuwse kerkhervormer- volgens de overlevering zijn 95 stellingen tegen de rooms-katholieke leer aan de deur van het slot in Wittenberg; het begin van een nieuwe leer, het protestantisme.
Regnerus is dan wel rooms-katholiek en monnik, maar evenals veel van zijn geloofsgenoten is hij de nieuwe leer toegedaan. In 1567 ontvlucht hij zijn klooster en gaat naar Oost-Friesland, in die tijd hét bolwerk van het protestantisme in de noordelijke Nederlanden.

Na de aansluiting bij de Unie van Utrecht (november 1576) verklaren de Friese Staten de gereformeerde religie tot de enige in het gewest. In elk dorp moet voortaan een predikant van “de ware christelijke gereformeerde religie” staan, bijgestaan door een dito schoolmeester. In 1580 worden alle (Friese) kloosters en parochies opgeheven en katholieke bezittingen geconfisqueerd. Priesters, monniken en nonnen krijgen, voor zover zij niet overgingen tot de “nieuwe leer”, een levenslange ondersteuning (pensie).(De historie gaat door het eigen dorp / A. .Algra. - 1960).

Op de lijst van personen die Pensie ontvingen staat ook de naam van Albertus Haeckingius, gewezen conventueel van Gerkesklooster (Pensiën / Anny Bokkinga. - Heerenveen1996). Een conventuaal is een lid van de orde van de zwarte Franciscanen, een van de drie Franciscaanse ordes.

Waarom vlucht Reiner en vertrekt hij niet gewoon? Wel, 1567 is het jaar waarin landvoogd Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva, in de Nederlanden (Brussel) komt en de “jacht” op ketters (protestanten) opent. Als protestant ben je je leven niet zeker, vooral niet in de beginperiode van de Tachtigjarige Oorlog, de tijd van de Spaanse overheersing over de Nederlanden.

Reiner, die nog vrij jong is, komt onder voogdij van zijn oom Arnold.
Hij wordt in 1585 student in Heidelberg waar hij in 1589 afstudeert tot Doctor in de filosofie. Zijn naam heeft hij veranderd in Regenerus Hachtingius.
De gewoonte om de familienaam of bijnaam te verlatiniseren is een typisch Renaissanceverschijnsel, dat in de 15e eeuw onder Italiaanse humanisten is ontstaan. Duitse en Nederlandse geleerden die Italië bezochten hebben het overgenomen en ten noorden van de Alpen verder uitgebreid. Het klassiek opsieren van de naam was vooral populair onder protestantse theologen. (Onze Taal, 54(1985), afl. 7/8).

In 1590 wordt Regnerus Meester in de vrije kunsten (retorica, dialectica en grammatica, ofwel overtuigen, onderzoeken en schrijven)
Op 23 juni 1591 wordt hij geëxamineerd (een soort sollicitatiegesprek in dit geval, lijkt me) door de classis (coetus) van Greetsyl in Oost-Friesland, waarna hij wordt goedbevonden om predikant te worden in de kerk bij het nabij gelegen klooster Aland, iets ten noorden van Canhusen.

In 1593 wordt Regnerus beroepen naar Leeuwarden, waar hij de derde vaste predikant wordt. Zijn collega-predikanten zijn onder andere Johannes Bogerman en Hermanus Kolde (of Colde), allen even streng in de leer.
In de tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609 -1621) gevoerde strijd tussen Arminius (is in navolging van de humanist Coornhert niet overtuigd van de calvinistische predestinatieleer) en Gomarus (God heeft vastgelegd wie is uitverkoren en wie niet) kiezen deze drie de zijde van Gomarus. Volgens Arminiaanse bronnen waren Johannes, Regnerus en Hermanus hierdoor in de periode 1515 / 1516 niet zo populair bij de Leeuwarder bevolking. (Mensen in en rond de Grote Kerk / J. Kalma)

Herman Colde is evenals Regnerus Hachtingius een priester die tot het protestantisme is overgegaan. In 1585 is hij samen met Feico Ruardi (ooit priester in Oosthem) dominee in Oldersum. Op 12 augustus 1598 krijgen beiden samen met Johannes Wernerus (Joachim Warneri) van Graaf Lodewijk van Nassau opdracht om een nieuwe kerkorde voor Drente te ontwerpen.

Regnerus trouwt in Leeuwarden met Antje Jans van Gellingen / Gelingen. In februari 1594 wordt hun oudste zoon Johannes geboren. De tweede zoon zal Arnoldus zijn geweest, genoemd naar de oom en voogd van Regnerus. Arnoldus trouwt in 1632 met Lucia, een dochter van Regnerus' collega Colde.
Zoon Freerick wordt 23 september 1604 gedoopt.
Er is ook een dochter, Stijntje, die in 1618 met Tobias Tegnejus trouwt.
Na het overlijden van Antje hertrouwt Regnerus 20 december 1612 met Sophia (Fhyke) Laurens.
Als Fhyke is overleden hertrouwt Regnerus op 17 oktober 1619 met Anna Cornelisdochter, weduwe van Francois de Swart, klerk van Gedeputeerde Staten, eerder weduwe van ... (ben ik even kwijt).

Het is waarschijnlijk dat Regnerus naast de hier genoemde nazaten meer kinderen heeft gekregen. Voor zover deze zelf geen dominee zijn geworden of met een dominee zijn getrouwd, is er (nog) niets over terug te vinden.

Tot zijn overlijden in 1626 is Regnerus predikant in Leeuwarden.

vrijdag 27 maart 2009

Jan Arentsz

In het verhaal van IJsbrant uit Alkmaar komt ene Jan Arends (Arentsz) voor, mandenmaker.

Op de blog van scholengemeenschap Jan Arentsz in Alkmaar heb ik informatie over hem gevonden:
In Alkmaar en omgeving was Jan Arentsz 4 eeuwen geleden een bekende en geliefde figuur. Oorspronkelijk was hij een eenvoudige manden maker,maar hij was ook een beroemde verteller. Gegrepen door de ideeën van de Reformatie -hem bijgebracht door de Alkmaarse pastoor Cornelis Cooltuin- ontwikkelde Jan zich tot een van de eerste hagepredikers.

Het nieuwe in de leer van Jan Arentsz was dat hij de zoon van God als middelpunt van de bijbel beschouwde.

In 1566 organiseerde hij in het open veld (tussen de hagen) bijeenkomsten waar de mensen van heinde en verre naar toe kwamen. Met de komst van Alva begonnen de godsdienstvervolgingen en moest Arentsz vluchten.

Jan Arentsz overleed op 28 augustus 1573, vlak voor de overwinning van de Alkmaarders op de Spanjaarden op 8 oktober van dat jaar: "In Alkmaar begint de Victorie!".

zondag 22 maart 2009

DEN HELDER JAREN '50

Op youtube vond ik dit filmpje van Paul Stam, geboren in 1948 in Den Helder. Ik ben in 1951 in Den Helder geboren en herken veel -zo niet alles- van wat Paul laat zien.

CORNELIS

Donderdag 26 oktober 1757 ben ik in Alkmaar geboren als oudste zoon van Pieter Boendermaker en Trijntje Kroon. Na mij kregen mijn ouders in 1759 een dochter, Engeltje, en in 1765 werd mijn broer Claas geboren.

Op 11 november 1780 ben ik in Hoorn getrouwd met Grietje van Straaten. Wij hebben samen drie dochters en een zoon gekregen.
Onze zoon Adrianus is in maart 1785 geboren. Hij werd broodbakker en ging aan het Verdronken Oord wonen, niet ver van de Ridderstraat waar ik met mijn gezin woonde. Ik heb nog mogen meemaken dat Adrianus op 10 mei 1812 trouwde met Wilhelmina Mentink. Drie dagen na de trouwerij overleed ik en op 16 mei ben ik begraven bij mijn ouders in graf nummer 355 in de noordergang in de Grote of Laurenskerk.
Onze dochter Neeltje is anderhalf jaar na Adrianus geboren. Haar huwelijk met Jacob Mollevanger heb ik niet mee mogen maken. Zij trouwden 23 mei 1813, een jaar na mijn overlijden. Jacob was net als Adrianus broodbakker.
Onze dochter Engeltje is in 1787 geboren en Maria in 1789. Zij zijn niet oud geworden.

Wij hebben steeds in Alkmaar gewoond, waar ik tot 1806 schoolmeester ben geweest. Ik was duitse meester, dat wil zeggen meester aan een lagere school. Vanaf 1797 was ik ook schrijfmeester. Enkele jaren daarvoor was ik door de stadsregering aangesteld als opvolger van Govert de Beer, die stads- en diaconieschoolhouder was. Ik verdiende er jaarlijks f 125,-- mee. Bovendien hadden wij vrij wonen in het schoolgebouw aan de Ridderstraat.

Tussen 1785 en 1795 ben ik met tussenpozen gedurende zes jaar inspector geweest. Dat hield in dat ik op de scholen naging of er wel volgens de regels werd lesgegeven. Elk jaar, op Koppermaandag (dit is de maandag na Driekoningen – 6 januari) werden de inspectoren door een commissie van scholarchen (curatoren) gekozen. Als je werd gekozen dan had je het vertrouwen van de heren scholarchen; je had genoeg kennis en kunde in huis om je vakbroeders en -zusters te beoordelen. Hoewel niet veel, leverde het toch wat extra salaris op naast datgene wat ik als schoolmeester verdiende.

Het is misschien wel even aardig om te vertellen hoe ik stadsschoolmeester ben geworden.
Toen Govert de Beer, stads- en diaconie- duitse schoolmeester, door het Comité van Algemeen Welzijn tot besteller der pakgoederen bij het Amsterdamse Veer benoemd werd, zochten diakenen van de hervormde kerk een opvolger voor de kinderen van de bedeelden van het aalmoezeniershuis.
De diakenen hadden in 1795 het oog op Cornelis Hoogkarspel. Maar ik, Cornelis Boendermaker, was een patriot. Hoewel de scholarchen aan de benoeming van een stads- en diaconieschoolmeester geen deel gehad schijnen gehad te hebben, waren zij waarschijnlijk toen al bewonderaars van de Franse broeders; zij waren patriotten.
In een vergadering lieten de gecommitteerden het volgende bericht uitgaan:

“alzoo de aanstelling van Cornelis Hoogkarspel, tot schoolmeester om wettige
redenen, op Zaterdag den 3 October, met regenten van 't aalmoezeniershuis, niet
heeft kunnen plaats hebben, rapporteert de commissie dat den 3 November met
algemeene stemmen is benoemd, Cornelis Boendermaker, hetgeen door de vergadering is goedgekeurd.”
(De oude scholen. Geschiedkundige feiten van 1560 tot 1806, verzameld uit het archief der gemeente Alkmaar / door J.J. De Gelder. - Alkmaar, 1886)

Ja, ik was een patriot. Ik voelde me tot het patriottisme aangetrokken omdat dit een politieke stroming was die burgers bij bestuur en politiek betrok. De oude, Oranjegezinde, regering bestond voornamelijk uit regenten die het voor het zeggen hadden. Burgers hadden nooit iets in te brengen.

Op 30 mei 1788 hadden de commissarissen van de Prins van Oranje een verordening doen uitgaan die de Alkmaarse burgemeesters er op wees er goed te letten het onderwijs op de scholen niet toe te vertrouwen aan lieden die de patriotse ideeën waren toegedaan en deze ideeën ook uitdroegen.
Negen mensen, waaronder ik, werden bij het stadsbestuur geroepen. Op 6 juli 1794 werd ik, samen met acht andere stadsambtenaren

“...in bescheiden termen vermaand om [ons] voortaan van tegen de herstelde
constitutie indruisende daden te onthouden...”.

Wij beloofden dit allen grif en mochten daarop onze betrekking houden.
De Oranjegezinden hadden geëist dat wij van onze functies ontheven zouden worden, maar daarin kregen zij niet hun zin.

Een half jaar later, in januari 1795, werd in Alkmaar een Comité Revolutionair geformeerd dat het stedelijk bestuur overnam. Tot eind 1813 hebben de patriotten het Alkmaarse stadsbestuur gevormd. Na 1813 kwam Oranje weer aan de macht, maar niet alles werd zoals vóór 1795. Een aantal bestuurlijke hervormingen uit de Bataafs-Franse tijd werd gehandhaafd.
Op 3 november 1795 ben ik benoemd tot stadsdiaconieschoolmeester, maar dat had ik al verteld.

Hoe zat het onderwijs op een duitse school eigenlijk in elkaar?
De leerlingen waren verdeeld in drie groepen.
De jongste kinderen kregen alleen leesonderwijs. Zij leerden lezen onder andere uit Het Haneboek (genoemd naar de houtsnede van een haan op de titelpagina van het boek) en A.B-boekjes met een gevarieerde inhoud voor het lees- en schrijfonderwijs. Behalve schrijfvoorbeelden in diverse lettertypen bevatten zulke boekjes ook stichtende verhalen, titulatuur, voorbeeldbrieven en etiquetteregels. Een ander veelgebruikt boek was de Trap der Jeugd, een serie verzamelboekjes met allerlei nuttige kennis en wetenswaardigheden.
(http://www.xs4all.nl/~remery/Schoolboeken/sboek18visser.html)

Waren de kinderen de kunst van het lezen machtig, dan kregen zij ook schrijfles. Dat gebeurde echter niet voor hun achtste of negende jaar, want in die tijd werd gedacht dat de handjes van jongere kinderen anders misschien een verkeerde schrijfstijl zouden kunnen aannemen, zodat zij later nooit de sierschrijfkunst zouden kunnen uitoefenen. Mooi schrijven was heel belangrijk in die tijd.
In het begin van de 19e eeuw kwam het tegelijk leren lezen en schrijven in zwang en werd het zelfs verplicht gesteld.
Ik was de eerste Alkmaarse schoolmeester die bevoegd was om de kinderen te leren lezen én schrijven.

De kinderen die konden lezen en schrijven, leerden ook rekenen. Zij kregen les uit het befaamde rekenboek van Willem Bartjens.
Van Willem Bartjens verscheen in 1604 het boek Cijfferinghe, een rekenboek dat gericht was op de handel. De meeste kinderen die konden lezen en schrijven kwamen niet aan het leren rekenen toe, omdat zij uit werken moesten gaan.

Behalve lezen en schrijven kregen de kinderen ook godsdienstonderwijs.

De school aan de Ridderstraat bestond uit één vertrek. Kinderen van alle leeftijden zaten door elkaar. Er stonden bankjes waar ze op konden zitten. Voor de kinderen die leerden schrijven waren er tafels.
Mijn plaats was voor in de klas, een plaats van waaruit ik de klas goed kon overzien. Zo nu en dan liet ik een kind bij me komen om te overhoren. Ook liep ik wel de klas in om te zien of de kinderen die aan het schrijven waren wel goed hun best deden.
Er was twee keer per dag drie uur school, met twee vrije middagen per week.

De meeste kinderen gingen van hun 5e tot hun 10e jaar naar school. Vooral op dorpsscholen waren de kinderen niet ouder, omdat zij thuis moesten helpen met het werk op het land.
Maar dit was een stadsschool en nog wel een school voor de minder bedeelde kinderen. In onze school lag de gemiddelde leeftijd aanzienlijk hoger. De kinderen kwamen meestal pas op school als hun ouders armlastig waren geworden. Meestal hadden de kinderen tot die tijd door te werken het gezinsinkomen helpen aanvullen.
Over het algemeen mochten ze de school pas verlaten als zij 16 jaar waren of als zij redelijk konden lezen en schrijven. Die oudere kinderen hadden maar een paar uur per dag school omdat zij overdag bij een baas moesten werken.
(Algemene geschiedenis der Nederlanden – deel 7 – Nieuwe tijd; blz. 264 – 267).

Zo heb ik heel wat armoede gezien en verdriet meegemaakt. Maar het lesgeven op deze school was mijn lust en mijn leven. Er is toch niets mooiers dan kinderen die weinig kansen hebben zoveel kennis te laten opdoen dat ze later een beter leven kunnen hebben? Kennis is macht, heb ik altijd gezegd.